21 november 2011

Hare Majesteits Klusjesman II

François van ’t Sant is een controversiële, mistige figuur uit de historische entourage van ons koningshuis. De politieman wist in hoog tempo carrière te maken en werd als hoofdcommissaris van Den Haag  bekend als de man die de financiële en seksuele escapades van prins Hendrik onder de pet hield. Dat zou hem uiteindelijk zijn kop gaan kosten. Vervolg van deel I.

Maîtresse
In 1927 kwam Van ’t Sant in contact met de dame die zijn loopbaan een flinke deuk zou geven. Haar naam was Elisabeth le Roi en ze werd de spil in een zeer gecompliceerde affaire. Volgens Van ‘t Sant was zij de maîtresse van jhr. dr. Carel van Vredenburch, een zeer gerespecteerd diplomaat, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister te Brussel. De gehuwde jonker had bij haar een kind verwekt en na zijn dood op 3 december 1927 zocht mejuffrouw Le Roi de Haagse korpschef op. Ze verzocht hem een financiële regeling te treffen voor haar en haar 3-jarige kindje.

Van ‘t Sant benaderde daarop Van Vredenburch’s nabestaanden, die het verhaal slikten. Om een schandaal te voorkomen betaalden zij Van ‘t Sant in totaal 47.000 gulden, toen een substantieel bedrag, waarmee hij Le Roi’s zwijgen kocht. De dame zou vervolgens in Berlijn zijn getrouwd en met kind en nieuwbakken echtgenoot naar de V.S. zijn geëmigreerd.

Maar de familie Van Vredenburch begon nattigheid te voelen. Van ’t Sant kon hen geen overtuigende bewijzen voor het bestaan van Le Roi geven. Naspeuringen door de familie naar de mysterieuze minnares leverden niets op, ook geen trouwakte uit Berlijn....

Na de dood van de weduwe Van Vredenburch besloot de familie tegen de hoogste Haagse politieman aangifte te doen wegens oplichting. Maar de familie slaagde er niet in bewijzen tegen Van ’t Sant te verzamelen. Hij beweerde alle bewijsstukken te hebben vernietigd om de kans op een schandaal te minimaliseren. Voor een strafrechtelijk onderzoek was onvoldoende grond, waarop de familie overging tot een civiele procedure om de 47.000 gulden terug te vorderen.

Wilhelmina in Londen
Ontslag
Het rumoer rond de affaire had ondertussen Van ’t Sant’s positie moeilijk gemaakt. Per januari 1935 vroeg en kreeg hij daarom eervol ontslag. Daarop trad hij direct in dienst als particulier secretaris bij koningin Wilhelmina. Zijn advocaat jhr. mr. W.M. de Brauw, tevens huisjurist van het Koninklijk Huis, wist de Van Vredenburchs te bewegen de procedure te staken en akkoord te gaan met een informeel scheidsgerecht door drie ‘Wijze Heren’.

Deze ereraad hoorde alle betrokken partijen en getuigen. Hoewel het er in eerste instantie slecht uitzag voor Van ’t Sant, wist De Brauw het tij te keren. Zijn financiële welstand werd verklaard uit spaarzaamheid en goede beleggingen en voor iedere getuige á charge verscheen er een á décharge. Op 28 juni 1935 sprak het scheidsgerecht Van ’t Sant vrij van oplichting van de familie Van Vredenburch. Wel werd hem onprofessioneel gedrag verweten. Hiermee leek de zaak te zijn gesloten.

Verzinsel
Het nationaal-socialistische weekblad Volk en Vaderland kreeg echter lucht van het achterkamertjesgerecht. Spoedig haakten ook andere media in op de zaak. Onder druk van de publieke opinie ging men alsnog over tot een strafrechtelijk onderzoek dat tot ‘38 zou duren. De zaak werd uiteindelijk wederom geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

Het vaderschap van Van Vredenburch was duidelijk een verzinsel van Van ’t Sant. Maar waarom? Er zijn twee theorieën. Van ‘t Sant had Le Roi en haar bastaard verzonnen om zichzelf te verrijken, zoals de familie Van Vredenburch geloofde. Of Le Roi bestond wel, maar was een dekmantel waaronder iemand anders schuilging: een maîtresse van prins Hendrik?

In 1956 bekende Van ’t Sant aan historicus Lou de Jong dat Le Roi inderdaad een verzinsel was, bedoeld om prins Hendrik en het koningshuis een schandaal te besparen. Hij bekende dus de familie Van Vredenburch te hebben opgelicht. Niet voor zichzelf, maar voor de goede zaak. De schrijver A. den Doolaard schreef in 1980 een boekje waarin hij, in reactie op de weinig kritische De Jong, uiteenzette waarom hij vond dat de eerste theorie de juiste was. Den Doolaard had net als Van ’t Sant en De Jong de oorlogsjaren in Londen doorgebracht.

Londen
François van ’t Sant was lid van het selecte gezelschap dat samen met de koningin op 13 mei 1940 naar Engeland vluchtte. Zijn gezin moest hij achterlaten en zijn villa werd gevorderd door de Sicherheitsdienst Referat IV-B4, dat zich met Jodenvervolging bezighield. Eén van de ‘Drie van Breda’, SS-Sturmbahnführer Franz Fischer, hield er kantoor. In de kelder werd gemarteld.

Huize Windekind
In Londen werd Van ‘t Sant chef van de Centrale Inlichtingen Dienst (CID), naast zijn al bestaande functie van particulier secretaris. Hij onderhield contacten met zijn oude vrienden binnen de Britse geheime diensten, waaronder Richard Tinsley. Hij ondervroeg Engelandvaarders na hun aankomst in Londen en legde contacten in bezet Nederland. Maar aanhoudende roddels over zijn onbetrouwbaarheid maakten zijn positie onhoudbaar.

Omdat de SD veel verzetsorganisaties oprolde, vermoedde het verzet dat er een verrader in Londen zat. De verdenking viel onterecht op Van ’t Sant, die terugtrad, maar op de achtergrond gewoon actief bleef. Een andere zaak die Van ’t Sant kwalijk werd genomen, was dat hij te weinig eerbied had voor prins Bernhard en kritiek uitoefende op diens inlichtingenwerk.

Mistig
Na de oorlog bleef Van ’t Sant tot de dood van zijn vrouw in Engeland wonen. Daarna trok hij in een woning dichtbij paleis Soestdijk. Daar raakte hij nog eenmaal betrokken bij een koninklijk schandaal: de Greet Hofmans-affaire. Van ’t Sant speelde een bemiddelende rol tussen de vechtende echtelieden. Naderhand beschuldigde hij prins Bernhard en diens moeder prinses Armgard van het beramen van een staatsgreep, om zo de aandacht in de pers voor koningin Juliana weg te nemen.

François van ’t Sant lijkt twee kanten te hebben: die van rechtlijnig politieman, type law & order, en die van clandestiene klusjesman. Voor dat laatste zal hij veel hebben geleerd van zijn duistere vriend Richard Tinsley. Deze stond bij de Britse geheime dienst bekend om zijn maffiose praktijken. 'T' chanteerde, fraudeerde en bedreigde iedereen die op zijn pad kwam. Hij werd daarmee een van de succesvolste spymasters uit WOI, voor wie het doel de middelen heiligde. Van ’t Sant onderhield tot Tinsley’s dood banden met hem. De geschiedenis van dergelijke mannen toont aan dat zij na WOI vaak in een gat vielen, gewend als zij waren aan een lifestyle van spanning en onbeperkte budgetten.

Toch lijkt Van ’t Sant bovenal een trouwe vazal van de Koninklijke familie te zijn geweest. Door de sfeer van geheimzinnigheid waarin hij altijd opereerde, zijn er maar weinig bronnen overgebleven waaruit zijn verhaal kan worden gereconstrueerd. Hij zal daarom altijd een mistig figuur blijven uit de historische entourage van ons al even mistige koningshuis.
~

Over Richard Tinsley, MI1(c) c.q. SIS en Van 't Sant is meer te lezen Spionnennest 1914-1918.

Dit is een herplaatsing van een eerder van dit blog verwijdert stuk. Het hele artikel verscheen in geredigeerde vorm in tijdschrift De Republikein.

Bronnen voor dit blogstuk o.a. :
Arlman, Hugo en Gerard Mulder, Van de Prins Geen Kwaad, Prins Hendrik & andere dossiers van Oranje (Amsterdam 1983).
Doolaard, A. den, Londen en de Zaak Van ’t Sant (Amsterdam 1980).

Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 9 Londen (Den Haag, 1979).