08 november 2011

Hare Majesteits Klusjesman I

Van 't Sant
François van ’t Sant is een controversiële, mistige figuur uit de historische entourage van ons koningshuis. De Rotterdamse politie-inspecteur wist in hoog tempo carrière te maken en werd vooral bekend als de man die de financiële en biseksuele escapades van prins Hendrik onder de pet hield. Zijn stormachtige carrière begon in de Eerste Wereldoorlog.

François van ’t Sant (1883-1966) werd in 1916 de jongste korpschef ooit, toen hij op 33-jarige leeftijd in één klap van inspecteur 3e klas tot hoofdcommissaris werd bevorderd. Zijn carrière begon in 1906 als schrijver bij de Rotterdamse politie. Dankzij zijn inzet werd hij vlot tot inspecteur bevorderd en werd hij chef van de Rivierpolitie. In 1914 werd hij verantwoordelijk voor het onderhouden van contacten met diverse geheime diensten, een positie die van hem een invloedrijk man zou maken.


Eerste Wereldoorlog
De neutrale havenstad Rotterdam was in de jaren 1914-1918 een belangrijk centrum van internationale spionage. De oorlog was aan het Westelijk Front vastgelopen in de loopgraven en zorgde voor een ondoordringbare barrière van de Vlaamse kust tot de Zwitserse Alpen. Het vergaren van inlichtingen achter het front werd hierdoor erg moeilijk en geheim agenten moesten daarom om het front heenreizen. Dat gebeurde via de neutrale landen Zwitserland en Nederland. Ons land was voor de Britten en de Duitsers de ideale springplank naar elkaars gebied: Nederland grensde aan Duitsland en bezet België en had diverse veerlijnen met Engeland.

Het Britse Secret Service Bureau, later MI1(c) en SIS (MI6) geheten, had al voor de oorlog een geheim agent in Rotterdam: Richard Tinsley. Hij was directeur van de aan de Boompjes gevestigde Uranium Steamship Company. Deze rederij hield zich voor de oorlog vooral bezig met het vervoer van Oost-Europese Joden naar Noord-Amerika. Tijdens de oorlog bouwde Tinsley, alias 'T', het bedrijf om tot de belangrijkste buitenlandse vestiging van de Britse geheime dienst.

Bij aanvang van de oorlog werd Van ’t Sant gevraagd te gaan werken voor de nieuwe Nederlandse inlichtingendienst Generale Staf Afdeling III (GSIII). Deze kleine dienst had als bijtaak het in de gaten houden van buitenlandse geheim agenten. Die taak werd echter grotendeels uitbesteed aan de politie. Met medeweten van GSIII gingen Van ‘t Sant en Tinsley nauw samenwerken.

Van ’t Sant zorgde dat de Britse geheime dienst vrij ongestoord haar gang kon gaan. Tinsley gaf hem informatie over Duitse spionnen in Nederland en troepenbewegingen aan onze grenzen. Op deze manier wist Van ’t Sant zijn leidinggevenden waardevolle informatie te geven. Dit en het feit dat Van 't Sant erg goed lag bij hogere autoriteiten zorgde dat hij een forse carrièresprong maakte. In 1916 werd hij tot hoofdcommissaris van Utrecht bevorderd.

Prins Hendrik
Vier jaar later maakte Van ’t Sant zijn volgende carrièrestap. In 1920 werd hij hoofdcommissaris van Den Haag. Dit was een prestigieuze positie vanwege het veelvuldige contact met het Koninklijk Huis. Hij werd daarnaast ook verantwoordelijk voor het in toom houden van prins-gemaal Hendrik. Hendrik had zowel zijn uitgaven als zijn libido niet onder controle. De Hofstad bood wat dat betreft volop verleiding.

Prins Hendrik
Den Haag genoot in die tijd de twijfelachtige eer meer prostituees te herbergen dan Amsterdam. De dames van plezier bedienden de substantiële bovenlaag van de Haagsche burgerij: politici, diplomaten, hoge ambtenaren, rijke kolonialen en adel. Van ’t Sant had in dit elitaire pretpark drie taken ten aanzien van prins Hendrik: ontsporingen onder de pet houden, financiële zaken afhandelen en nieuwe uitspattingen voorkomen. Dit laatste was de zwaarste klus.

Onder het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ probeerde Van ’t Sant Hendrik’s liefhebberijen in goede banen te leiden. Zo selecteerde hij prostituees op hun gedrag en gezondheid: Wilhelmina was doodsbang dat via Hendrik allerlei enge (geslachts)ziekten het paleis zouden binnendringen…

De politieman zorgde dat prins Hendrik zich ongestoord met dames kon verpozen in zijn privéwoning Huize Windekind. Van ’t Sant had deze fraaie villa in 1928 laten bouwen en contant betaald. Van zijn salaris kon hij zich dat niet veroorloven en waarschijnlijk had hij dus neveninkomsten. Zijn financiële welstand en gesjoemel om het Koninklijk Huis van schandalen te vrijwaren, moesten vroeg of laat tot problemen gaan leiden…

Wordt vervolgd... 

Over Richard Tinsley, MI1(c), N en Van 't Sant is meer te lezen in Spionnennest 1914-1918.

Dit is een herplaatsing van een eerder verwijdert stuk. Het hele artikel verscheen in geredigeerde vorm in tijdschrift De Republikein.

Bronnen voor dit blogstuk o.a. :
Arlman, Hugo en Gerard Mulder, Van de Prins Geen Kwaad, Prins Hendrik & andere dossiers van Oranje (Amsterdam 1983).
Doolaard, A. den, Londen en de Zaak Van ’t Sant (Amsterdam 1980).