27 februari 2012

Spionage in Rotterdam

Het Witte Huis in 1915
Na het uitbreken van de Eerste Wereld-oorlog in de zomer van 1914 werd  neutraal Nederland een broeinest van internationale spionage. Rotterdam werd zelfs het grootste spionagecentrum ter wereld. 

Strategisch gelegen tussen Duitsland en Engeland vormde Rotterdam een perfecte uitvalsbasis voor Duitse spionage in Groot-Brittannië en Britse spionage in Duitsland en bezet België. Veel Rotterdammers lieten zich in met spionage en betaalden daarvoor soms de hoogste prijs. Mata Hari was dan ook niet de enige Nederlandse spion die werd geëxecuteerd.

Al voor de oorlog begon hadden buitenlandse geheime diensten Rotterdam als basis gekozen. De Britse geheime dienst hield kantoor op de burelen van de Uranium Steamship Company aan de Boompjes 76a. De Duitse geheime diensten werden gecoördineerd vanuit het Keizerlijke Duitse consulaat-generaal in het Witte Huis.

De Britten
De Uranium was een Canadese rederij gespecialiseerd in goedkope Trans-Atlantische overtochten. Door de oorlog kwam het bedrijf stil te liggen, net als veel andere  havenbedrijven. Maar directeur Richard Tinsley alias T was ook chef van de Britse geheime dienst in Rotterdam. Hij bouwde het bedrijf om tot een vestiging van de door C geleidde spionagedienst die nu bekend staat als MI6.

Vanuit zijn kantoor aan de Boompjes gaf hij leiding aan geheim agenten die spionagenetwerken opbouwden in Duitsland en het door de Duitsers bezette België. Hij wierf zijn spionnen ook onder lokale Rotterdammers. Een aantal van hen werd in Duitsland opgepakt en tot lange gevangenisstraffen veroordeeld. Onder hen waren bijvoorbeeld de broers Hartog en Meyer Blaaser. De zeer waardevolle Duitse spion TR16 kwam regelmatig naar Rotterdam om verslag uit te brengen.

De voor de geallieerden erg belangrijke Belgische verzetsgroepen als La Dame Blanche leverden militaire inlichtingen over het Westelijk Front. Na een levensgevaarlijke tocht brachten koeriers hun rapporten naar Rotterdam.

Tinsley onderhield nauwe banden met de Rotterdamse politie, waaronder chef Rivierpolitie François van ’t Sant. Deze kreeg van Tinsley inlichtingen over de Duitsers en geld om de kleine Nederlandse geheime dienst GS III te steunen. Omdat er simpelweg teveel spionnen naar Nederland kwamen, lieten de autoriteiten hen met rust, zolang zij de wet niet overtraden. Dat gold ook voor de Duitsers.

De Duitsers
N-spion Heicke Janssen
Vanuit het Witte Huis leidde consul-generaal Carl Gneist de Duitse geheime dienst. Vooral de inlichtingendienst van de Keizerlijke Marine was erg actief in Rotterdam. Ook deze dienst, kortweg N geheten, wierf spionnen onder de Rotterdamse bevolking. In 1915 werden twee van hen in Engeland opgepakt.

De zeelieden Heicke Janssen en Willem Roos maakten voor N een spionagetocht langs Britse havens. Als zij een Brits marineschip zagen liggen moesten zij de locatie in code telegraferen.

De Britse contraspionagedienst MI5 kwam hen echter op het spoor en Scotland Yard arresteerde hen. Janssen en Roos werden ter dood veroordeeld. Op de ochtend van 30 juli 1915 werd hun straf voltrokken in de Londense Tower. Janssen was als eerste aan de beurt om 06.00 uur. Naar verluidt weigerde hij een blinddoek en keek de dood in de ogen. Roos verzocht om een laatste sigaret en kwam tien minuten later voor het vuurpeloton.

Rotterdammers
En zo waren er nog meer Rotterdammers die zich met spionage inlieten. Onder hen Jaap Dirkzwager (N) van het gelijknamige scheepsrapportagebedrijf, de acrobaat Leopold Vieyra (N) en uitgever Willem van Ditmar (MI5). Geen stad zou van 1914 tot en met 1918 zoveel spionnen huisvesten als Rotterdam, dat daarmee het grootste spionnennest van de Eerste Wereldoorlog was.