27 juni 2009

Wilhelm zu Wied: voor even Koning

Wilhelm zu Wied
Sommige vorsten waren in het verleden succesvoller dan anderen. De Duits-Nederlandse prins Wilhelm zu Wied behoorde zonder twijfel tot de anderen. Van februari tot september 1913 was hij voor zes maanden even koning van Albanië.

Wilhelm zu Wied werd in 1876 geboren als de tweede zoon van prins Wilhelm zu Wied senior (1845-1907) en Maria der Nederlanden (1841-1910), dochter van prins Frederik, de tweede zoon van koning Willem I. Het gezin had afwisselend gewoond in Wilhelm’s geboorteplaats Neuwied, aan de Rijn bij Koblenz, en in Maria’s villa in Wassenaar.

Wied was een achterneef van koningin Wilhelmina’s vader koning Willem III en derhalve een achter-achterneef van de Nederlandse vorstin. Ooit was hij zelfs genoemd als een mogelijke echtgenoot voor de jonge Nederlandse koningin, die uiteindelijk in 1901 met prins Heinrich (Hendrik) zu Mecklenburg-Schwerin huwde. Zelf huwde Wilhelm in 1906 met de 21-jarige prinses Sophie von Schönburg-Waldenburg.

Toen Wilhelm werd benaderd voor de troon van Albanië was hij 37 jaar oud en ritmeester in het 3e Garderegiment Ulanen (cavalerie) van het keizerlijke Duitse leger. Hij was voor de positie onder de aandacht gebracht door zijn tante, de excentrieke koningin Elisabeth zu Wied. Zij was gehuwd met de koning van Roemenië en had naam gemaakt als schrijfster en dichteres onder haar pseudoniem Carmen Sylva.


Een Nieuw Koninkrijk
Albanië werd in mei 1913, na eeuwen een deel van het Osmaanse Rijk te zijn geweest, een onafhankelijk land onder de voorlopige regering van de nationalistische politicus Ismail Kemal Bey. Kemal werd gesteund door de Europese grootmachten en met name Oostenrijk-Hongarije en Italië. Albanië moest opzoek naar een staatshoofd.

In 1913 waren Europese staatshoofden meestal vorsten, uitzonderingen als de presidenten van Frankrijk, Zwitserland en Portugal daargelaten. Ook de eerder van de Turken onafhankelijk geworden Bulgaren en Roemenen hadden, net als de Serviërs en de Grieken, na hun onafhankelijkheid een koningshuis geïnstalleerd. Die nieuwe koningen waren meestal afkomstig uit Duitsland. In Roemenië zat een Hohenzollern-Sigmaringen op de troon en in Bulgarije Ferdinand von Saxe-Coburg und Gotha. De Serviërs waren de enigen met een autochtoon koningshuis.

Het was geen verrassing dat ook het Albanese staatshoofd van blauw bloed moest zijn. Alhoewel een deel van de elite een Turkse moslimprins wenste, gaf de voorlopige regering de voorkeur aan een Europese vorst. Dit omdat zij Albanië wilden vereuropesen en daarom een vorst met een hoed en niet met een fez zochten, aldus minister van Buitenlandse Zaken Mufid Bey. Overigens waren veel belangrijke Osmanen van Albanese afkomst. De eerste khédive van Egypte, Mohammed Ali, was een Albanees en tientallen grootviziers kwamen uit het mediterrane Balkanland. Net als in Bosnië-Herzegovina had een substantieel deel van de bevolking zich na verovering door de Turken tot de islam bekeerd en identificeerde zichzelf niet met het land Albanië, maar met het Osmaanse Rijk.

Maar in het laatste kwartaal van de 19e eeuw had de Albanese houding ten opzichte van het Osmaanse Rijk een verandering ondergaan. De Jong Turkse beweging kwam in die tijd op als politieke machtsfactor en begon te werken aan de transformatie van het oude feodaal-theocratische Osmaanse Rijk naar een moderne Turkse natiestaat. Dit gedwongen Turkificatieproces leidde uiteindelijk tot een eigen Albanese onafhankelijkheidsbeweging.

Wespennest
De nieuw gewonnen vrijheid leidde niet tot eenheid onder de Albanezen. Zelf noemen zij hun land Shqipëria, het land van de adelaar, de solitaire roofvogel die vaak symbool staat voor onafhankelijkheid. Het volk was onderverdeeld in twee taalgroepen die elkaar niet konden verstaan, de noordelijke Gegs en de zuidelijke Tosken. Een verdere onderverdeling vond plaats op basis van stam en clan. En tenslotte was er de religieuze verdeeldheid tussen de Rooms-katholieken in het noorden, de islamieten (bektashi-soefi’s en soennieten) die vooral in het centrale deel, maar ook in het noorden leefden en de Grieks-orthodoxen in het zuiden.

Door al die verbanden heen, liep de traditie van bloedwraak. Ooit in het verleden in het leven geroepen om orde te handhaven in een historisch ordeloos land, leidde wraak voor begane misdaden tot wederwraak en nog meer wraak. Hierdoor zaten veel mannen opgesloten in hun ouderlijk huis, de enige plek waar zij conform de erecode veilig waren.

In oktober 1913 kozen de Europese grootmachten prins Wilhelm zu Wied als beoogd staatshoofd. Dit gebeurde nadat een aantal gewichtigere kandidaten, waaronder de Britse prins Arthur Hertog van Connaught, de Italiaanse prins Vittorio Graaf van Turijn en de Duitse Wilhelm Hertog van Urach, de revue waren gepasseerd.

Britse spotprent
Erg enthousiast was Wied niet. Hij moest door zijn tante, zijn ambitieuze echtgenote Sophie en Oostenrijkse diplomaten onder druk worden gezet. Hij was vooral geschikt, omdat geen van de betrokken landen bezwaar tegen zijn persoon had. Wilhelm zou geen koning worden, maar de Albanese vorstelijke titel mbret krijgen, dat vertaald diende te worden als prins. Voor de Albanezen zelf betekende mbret weldegelijk koning. Pas als hij stevig in het zadel zat, mocht Wied zich ook buiten Albanië koning gaan noemen. Europa zou dan niet met een landloze koning worden opgescheept als het project mislukte.

Op 21 februari had een Albanese delegatie van orthodoxe, katholieke en islamitische voormannen officieel de troon van Albanië aan prins Wilhelm zu Wied aangeboden. De delegatie stond onder leiding van de machtige Albanese krijgsheer Essad Pasja, die in het geheim zelf de troon begeerde. Wied accepteerde en werd tot mbret geproclameerd. De grootmachten zegden hem een lening van £3 miljoen toe. Hier hield de bemoeienis van de mogendheden mee op; de prins moest het verder zelf maar uitzoeken.

Wied koos het kustplaatsje Durrës als zijn hoofdstad. Op 7 maart 1914 arriveerde hij er per schip en werd door diverse hoogwaardigheidsbekleders op de kade onthaald. Wied en zijn echtgenote namen met hun twee kinderen en twee hofdames, onder luid gejuich van de bevolking, hun intrek in het prinselijke paleis, de konak, waar later die avond een klassieke balkonscene volgde.

Essad Pasja
Durrës was centraal gelegen, maar werd naar het binnenland toe afgesneden door Tirana, de thuisbasis van Essad Pasja. Om hem te vriend te houden, benoemde Wied hem tot minister van binnenlandse zaken en oorlog. Premier werd de 80-jarige, gepensioneerde Osmaanse beroepsdiplomaat van Albanese afkomst, Turkhan Pasja. Ook de rest van het kabinet werd vreemd genoeg niet samengesteld uit nationalisten die pro-Wied waren, maar uit Turkstalige expats en vertrouwelingen van krijgsheer Essad. Wied presteerde het dus zich te omringen met politici die andere belangen hadden dan hijzelf. De onervaren, makkelijk te beïnvloeden vorst zou daarvoor een prijs gaan betalen.

Rebellen voor de Poort
Naast lokale adviseurs nam Wied ook twee eigen medewerkers mee: de Brits-Ierse militair Duncan Heaton-Armstrong was zijn secretaris en schatbewaarder. Zijn hofmaarschalk was de Duitse majoor Thilo von Trotha. Deze was de oudste zoon van generaal Lothar von Trotha, die in 1904-1905 het Herero-volk in Namibië bijna uitroeide.

Wied werd ook bijgestaan door een contingent Nederlandse militairen, die onder leiding van generaal Willem de Veer en overste Lodewijk Thomson verantwoordelijk waren voor het opzetten en leiden van de gendarmerie. In januari nog had generaal De Veer doortastend opgetreden tegen een couppoging van de Turkse agent provocateur Bekir Aga Grebene en de Turkse minister van Oorlog Izzet Pasja. Dit betekende niet dat de pro-Turkse krachten in Albanië de moed hadden opgegeven.

Landinwaarts van Durrës woonden vooral Boshnjaks, van oorsprong Bosnische moslims die het Oostenrijks-Hongaarse bewind waren ontvlucht. Zij stonden onder invloed van Turkije. Maar ook Servië en Italië stookten het vuur op. Op 23 mei brak er in Durrës paniek uit. De Italiaanse gezant Aliotti was het prinselijke paleis binnengestormd met de meedeling dat er achtduizend pro-Turkse rebellen voor de deur stonden en vier Nederlandse officieren gevangen waren genomen.

Onder druk van Aliotti ging Wied met zijn gezin en hofhouding aan boord van een Italiaanse kruiser die voor de kust lag. Toen zij echter doorkregen dat er niet veel aan de hand was, mochten zij niet meteen terug aan wal gaan. Terwijl de gendarmes de rebellen van de stad wegjoegen, keerde generaal De Veer terug naar het verlaten paleis, waar de Italianen uitgebreid in documenten zaten te snuffelen. Zij hadden Wied in de val laten lopen, omdat zij hem als te pro-Oostenrijks waren gaan zien. Hij had nu de indruk gewekt op laffe wijze vroegtijdig te zijn gevlucht, waardoor hij veel prestige verloor. Zo werd hij geroyeerd als lid van zijn oude officiersclub in Duitsland.

Omdat de Europese mogendheden hun vingers niet wilden branden aan Albanië, was Wied voor de verdediging van zijn hoofdstad op zichzelf aangewezen. De Albanezen zelf waren te verdeeld of onbetrouwbaar gebleken, waardoor de vorst een groot tekort aan betrouwbare manschappen had. Daarom deed hij een beroep op de man die zijn uniformen en medailles had ontworpen.

Toespraak Wilhelm zu Wied
In Oostenrijk richtte de Jugendstil kunstenaar Gustav Gurschner een Albanees vreemdelingenlegioen op. Hij wist in zeer korte tijd duizend vrijwilligers te werven, voordat de Oostenrijkse autoriteiten zijn activiteiten verboden. Durrës kwam vol te zitten met een kleurrijk allegaartje van serieuze en minder serieuze buitenlandse avonturiers, huurlingen en poseurs die zich bemoeiden met oplegging en handhaving van de binnenlandse orde of simpelweg ‘oorlogje’ kwamen spelen. En dat terwijl buiten de stad de rebellen de dienst uitmaakten.

Mbret Wilhelm toonde zich makkelijk beïnvloedbaar door de verkeerde adviseurs en was een twijfelaar. De verhouding tussen de Nederlandse officieren en het hof verslechterde. Eerder was tijdens het beleg van Durrës op 15 juni de populaire officier Thomson gesneuveld. De aanwezigheid van de avonturiers en hun bemoeienissen met militaire en gendarmerie taken, begon de Nederlanders de keel uit te hangen.

Toen de Amerikaans-Britse avonturier en fantast Harold S. Spencer zich negatief uitliet over een aantal Nederlandse officieren, leidde dat tot een conflict. Op 27 juli diende generaal De Veer namens alle Nederlanders collectief hun ontslag in. De volgende dagen verlieten de officieren op eigen gelegenheid via diverse routes Albanië.

Vlucht uit Albanië
Toen de Nederlanders waren vertrokken, nam de chaos in Albanië verder toe. Als klap op de vuurpijl brak op 28 juli ook de Eerste Wereldoorlog uit. Wilhelm zu Wied verloor alle controle over zijn koninkrijk, in zoverre hij die überhaupt ooit had gehad. Zes maanden na zijn komst verliet hij op 3 september 1914 Albanië om er nooit meer terug te keren.

Ahmed Zogu c.q. Zog I
Een week na Wied's vertrek werd Durrës ingenomen door het rebellenleger. Zij boden de Osmaanse sultan-kalief de troon van Albanië aan, maar de meerderheid van de Albanezen had daar geen trek in en trok zich niets aan van de zoveelste club die claimde de centrale regering van hun land te zijn. Kort daarna verdween Albanië in de mêlee van de Eerste Wereldoorlog.

De oorlog zou leiden tot de opkomst van een sterk Albanees nationalisme, dat zich richtte tegen traditionele stamhoofden en krijgsheren. In de jaren ’20 en ’30 was het land een strijdtoneel tussen democraten en conservatieven. De laatsten wonnen onder leiding van Ahmed Zogu, ooit een pro-Wied krijgsheer, met hulp van Joegoslavië en Witte Russische huurlingen van generaal Wrangel. Zogu werd president en riep zich in 1928 uit tot koning Zog I. Deze positie behield hij, m.u.v. de Italiaanse bezetting tijdens WO II, tot de machtsgreep van de communistische dictator Enver Hoxha in 1946. Dat mbret Wilhelm zu Wied tot zijn dood in 1945 nooit formeel was afgetreden, kon niemand behalve hemzelf wat schelen.

Dit artikel verscheen als Zomerkoninkje in geredigeerde vorm in de juni aflevering van tijdschrift De Republikein (2010).