04 december 2007

De Armeense genocide en Propaganda


In discussies over de Armeense genocide wordt vaak geroepen dat het allemaal een verzinsel is van anti-Turkse propagandisten. Dat is onzin. Er is geen twijfel dat de Armeense genocide heeft plaatsgevonden. Wat wel waar is, is dat de genocide een dankbaar onderwerp was voor oorlogspropaganda van met name de Britten. De genocide speelde zich immers af binnen de Eerste Wereldoorlog en bood een kans om de wereld er nog eens van te overtuigen dat de Duitsers en hun Turkse bondgenoten bloeddorstige barbaren waren.

De Britten waren net als alle andere Europese grootmachten erg bezig met de vraag wie welk deel van de Osmaanse taart zou krijgen als het Osmaanse Rijk zou instorten. Het was duidelijk dat als Duitsland en Oostenrijk de Eerste Wereldoorlog zouden verliezen, en met hen de Osmanen, die ineenstorting een feit was. De Britten wilden daarbij vooral de voor hen meest strategische delen van dat rijk veiligstellen. Maar voor het zover was, speelden andere overwegingen een rol.


Toen in de eerste helft van 1915 duidelijk werd hoe de Jong Turken omgingen met de Armeense bevolking, verweten de Britten dat in eerste instantie aan provocaties van Armeense verzetsbewegingen. Toen Rusland op 24 mei een verklaring wilde doen uitgaan, waarin Osmaanse acties tegen Armeniërs werden veroordeeld als misdaden gericht tegen christendom en beschaving, was Groot-Brittannië erg terughoudend. Dit omdat men bang was voor reacties vanuit de islamitische wereld op een dergelijke verklaring.

De Osmanen hadden de afgelopen decennia veel werk gemaakt van hun panislamitische pretenties en de Britten waren bang dat de Russische verklaring als anti-islamitische propaganda zou worden opgevat. Dit kon gevolgen hebben in de Britse kolonies waar vele miljoenen moslims woonden. Omdat Frankrijk, dat in Afrika ook miljoenen moslims als onderdaan had, deze zorgen deelde, wisten beide landen de Russen zo ver te krijgen dat het woord christendom werd vervangen voor menselijkheid, waarmee de juridische term misdaden tegen de menselijkheid het levenslicht zag.

Om dezelfde reden ging Groot-Brittannië niet in op aanbiedingen van Armeense expats en emigranten om vrijwilligersbrigades te vormen, die met de Triple Entente konden meevechten. Verder beschouwde men militaire acties die gericht waren op het helpen van Armeniërs als inefficiënt gebruik van militair materieel. Bovendien was Groot-Britannië bang dat dergelijke acties meer anti-Armeense acties zouden uitlokken; een voor de hand liggende gedachte als men bedenkt dat deze acties werden uitgevoerd onder het mom van het tegengaan van insurrectie. De Britten zagen daarom het zo snel mogelijk verslaan van de Centralen als de beste manier om de massamoorden te stoppen.

Zwarte Propaganda
In de herfst van 1915 echter herzagen de Britten hun houding ten opzichte van de Armeense bloedbaden. Met de aanvang van de Eerste Wereldoorlog begon ook de propagandaoorlog. De belangrijkste slag die er kon worden gewonnen in deze oorlog was het winnen van de publieke opinie in de neutrale Verenigde Staten. De Duitsers pakten dit verkeerd aan door het Amerikaanse publiek te bestoken met ‘recht toe recht aan’ propaganda, vanuit o.a. Duits-Amerikaanse verenigingen. Hierdoor wist men direct dat het propaganda was en vertrouwde men het niet, los van de vraag of het waar was.

De Britten deden het subtieler. Zij zetten een geheim propagandabureau op dat was gehuisvest in Wellington House. Het doel was propaganda te maken die niet direct als zodanig herkend mocht worden, zogenaamde zwarte propaganda. Men wilde zo de publieke opinie beïnvloeden, zonder dat duidelijk was dat de Britten er achter staken. Op deze manier wilde men de V.S. aan de zijde van de Triple Entente de oorlog in slepen.

Verhalen over de wreedheid van de vijand zijn altijd een dankbaar onderwerp geweest in oorlogspropaganda. Denk bijvoorbeeld aan de legendarische wreedheid van de Spanjaarden tijdens de Nederlandse Opstand in de zestiende eeuw. De Spanjaarden noemen dit de Leyendra Negra, de zwarte legende.

Nu maakten de Duitsers het de Britten op dit gebied makkelijk door hun harde optreden tegen de Belgische en Franse burgerbevolking en een serie blunders als het tot zinken brengen van het Britse passagierschip de Lusitania, dat 159 Amerikaanse passagiers aan boord had, en het beruchte Zimmerman-telegram aan Mexico.

Publieke Opinie
In september 1915 zagen de Britten de propagandistische waarde in, die de massamoorden op de Armeniërs konden hebben op de Amerikaanse publieke opinie. De Britse overheid maakte duidelijk op de hoogte te zijn van de ware aard van anti-Armeense maatregelen die door de Jong-Turkse junta werden genomen. Daarbij werden ze ook geholpen door Amerikaanse diplomaten die zich het lot van de Armeniërs aantrokken, zoals de Amerikaanse ambassadeur in Istanboel, Henry Morgenthau.

Morgenthau publiceerde na de Amerikaanse deelname aan de oorlog in 1917 meteen een boek, Ambassador Morgenthau’s Story, dat uitgebreid inging op zijn ervaringen tijdens de Armeense volkerenmoord. Een van de gevolgen van de propagandaoorlog was dat de rol van Duitsland binnen de Armeense genocide werd overdreven. Verder biedt het tot op heden de gelegenheid aan genocide-ontkenners en bagatelliseerders om te zeggen dat de bewijslast voor de genocide het product van propaganda is. Hierbij gaat men voorbij aan het feit dat de belangrijkste bewijzen voor de Armeense genocide niet het product zijn van Britse propaganda, maar afkomstig zijn van bevriende Duitse bronnen!

De Britse houding ten opzichte van het lot van de Armeniërs wijzigde zich niet alleen vanwege de propagandawaarde die hun lijden had, maar ook omdat al snel duidelijk werd dat de panislamitische pretenties van de sultan-kalief weinig effect hadden. Helaas voor de Osmanen en de Duitsers gaven maar weinig moslims op vijandelijk gebied gehoor aan de oproep tot jihad, op een paar kleine muiterijen binnen het Britse koloniale leger na.

Hiermee verviel ook de Britse terughoudendheid ten aanzien van angst voor repercussies uit de islamitische wereld. De Britten benadrukten in hun propaganda en berichtgeving het feit dat het Osmaanse panislamisme toch vooral panturkisme was, een observatie die ook veel Arabieren niet was ontgaan. Het uitgesproken Turkse karakter van de Jong-Turkse junta had de Arabieren vervreemd van het Osmaanse Rijk.

Anti-Turks
De Britten wakkerden de anti-Turkse gevoelens aan en wisten met Egypte als basis belangrijke bondgenoten te maken op het Arabisch schiereiland, dat deel uitmaakte van het Osmaanse Rijk. De voor de Britten meest belangrijke bondgenoot daar was de sjarif van Mekka, Hoessein, die het koningsschap over grote delen van Arabië werd beloofd in ruil voor zijn steun.

Samen met zijn beroemd geworden Britse adviseur, de schrijver T.E. Lawrence, wist Hoessein het de Osmanen militair moeilijk te maken. Daarnaast wist Groot-Brittannië door de erfelijk heerser over de twee belangrijkste heilige steden van de islam aan zich te binden, het gezag van de sultan-kalief over de moslims een sterke klap toe te brengen en hun eigen autoriteit over hun islamitische onderdanen te handhaven.

De uiteindelijke opdeling van het Osmaanse Rijk werd in 1916 vastgelegd door Groot-Brittannië en Frankrijk in het Sykes-Picot verdrag. Hierin spraken zij af hoe de invloedsferen zouden worden verdeeld na de overwinning. Voor de Britten was het belangrijk dat zij Rusland konden dwarszitten in zijn poging een open, warme zeehaven te krijgen. Door de Perzische golf te controleren, konden zij zo die route afsluiten.

De Armeniërs kregen geen onafhankelijkheid, maar werden verdeeld over de Franse en Russische invloedsfeer. Daadwerkelijke onafhankelijkheid van de Osmaanse Armeniërs was voor Rusland onbespreekbaar, omdat het vreesde dat dit ook tot onafhankelijkheid van Russisch Armenië zou kunnen leiden. Na de oorlog verloren de Armeniërs voor de Britten snel hun waarde en werden zij verder aan hun lot overgelaten.