03 november 2007

Volkerenmoord in het Nieuws



"Davon haben wir nichts gewusst" is een bekend excuus uit de Tweede Wereldoorlog van Duitsers die met de Holocaust werden geconfronteerd. Toch is geen enkele genocide onopgemerkt voorbij gegaan aan het grote publiek. Ook de Armeense niet. In de Nederlandse media werd over het lot van de Armeniërs bericht. Net als we nu weten dat er in Darfoer veel mensen sterven ten gevolge van het beleid van de regering in Khartoem, wist men in de jaren 1915-1916 ook weldegelijk wat de Armeniërs overkwam.

De houding van een samenleving ten opzichte van gebeurtenissen in de wereld wordt in hoge mate bepaald door de mate waarin, en de wijze waarop, de pers bericht over gebeurtenissen. In de periode waarin de volkerenmoord op de Armeniërs plaatsvond, waren de media nog niet zo veelzijdig en breed toegankelijk als vandaag het geval is. Het belangrijkste medium in die tijd was de krant.

Uiteraard werd het grootste deel van het buitenlandse nieuws in beslag genomen door ontwikkelingen op de diverse fronten van de Eerste Wereldoorlog, die in augustus 1914 in volle hevigheid was losgebarsten. Het lot van de Armeniërs was slechts een onderdeel van de berichtgeving hierover. Tijdens de jaren 1915-1916 kregen ze dan ook nergens meer aandacht dan in artikelen die verband stonden met algemene oorlogsverslaggeving of in 'kort nieuws' berichtjes.

Als eerste bericht verscheen in Het Volk op 14 januari 1915 onder de kop ‘Oorlogsellende’ een kort nieuwsstukje over de Turkse inval in Azerbeidzjan. "De Armeense bevolking", zo wist men te melden, "is gevlucht naar de Kaukasus, waar er zo’n 60.000 zijn aangekomen. Velen bezweken onder weg van honger en kou." Het bericht is overgenomen van de Times en was afkomstig uit Sint Petersburg.

Ook een ander bericht, dat op 15 januari verscheen in de NRC, baseerde zich op The Times en wist te melden dat zwervende Koerden in de omgeving van het Vanmeer samenkwamen en op de daar woonachtige Armeniërs ‘wreedheden bedreven’. Vrijwel alle berichten over de Armeense genocide zijn overgenomen van Britse kranten en dan met name de Times. Deze krant kreeg haar informatie over het lot van de Armeniërs vooral via haar correspondent te Sint Petersburg.

Het Osmaanse Rijk was een bondgenoot van Duitsland en Oostenrijk en alle journalisten van de Triple Entente waren bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog uit het Osmaanse Rijk vertrokken. Zij moesten het voor hun informatievoorziening doen met officiële communiqués en informatie van getuigen en andere derden. Informatie met betrekking tot de Armeniërs werd hoofdzakelijk geleverd via contacten tussen de Armeense gemeenschappen in Turkije en Rusland. Dat de Nederlandse pers van de Britse pers afhankelijk was voor informatie over het zuidelijke front, zou gevolgen hebben voor de enige Nederlandse journalist die aanwezig was in het Osmaanse Rijk.

De Correspondent te Istanboel
Er was in de jaren 1915-1916 maar één Nederlandse correspondent actief in Istanboel en dat was Joost de Kruyff. Hij schreef voor de NRC en voor de Kölnischer Zeitung, een Duitse krant. De Duitse kranten hadden niet te maken met regelrechte censuur, maar werden wel onder druk gezet door de Duitse regering om geen berichtgeving te doen die schadelijk was voor de Duitse oorlogsbelangen. Daaronder viel dus ook de berichtgeving over het lot van de Armeniërs, dat voor Duitsland bijzonder gênant was: de Duitse media werden ontmoedigd om te berichten over de volkerenmoord aan het zuidelijke front.

Tegen het einde van 1916 kwam De Kruyff ondanks zijn Duitse accreditaties toch in de problemen. De Jong-Turkse autoriteiten gaven hem te verstaan dat hij het land moest verlaten. De politie viel bij hem binnen, doorzocht zijn huis en nam zijn aantekeningen in beslag. De Kruyff deed schriftelijk zijn beklag bij de Nederlandse gezant Van der Does de Willebois. Hij verweet zijn gedwongen vertrek vooral aan de anti-Nederlandse stemming die was ontstaan onder de in Istanboel aanwezige hoge Duitse officieren.

De Nederlandse pers zou teveel op de hand van de Triple Entente zijn en daarom werden Nederlanders extra in de gaten gehouden. Met name in wat hij noemt ‘ultra-chauvinistische Duitse kringen’ ergerde men zich buitengewoon aan de Nederlandse weigering om aan de zijde van de Centralen mee te vechten. Het hoofd van de Duitse militaire missie, generaal Otto Liman von Sanders, zou achter De Kruyff’s gedwongen vertrek zitten.

Van der Does de Willebois adviseerde De Kruyff om toch maar vooral te gaan. De Kruyff verplaatste zijn standplaats noodgedwongen naar Sofia. Dit ondanks het feit dat hij, zo benadrukte hij, nooit iets ten nadele van Turkije of Duitsland had geschreven.

Gemarteld Armenië
Het is duidelijk dat het lot van de Armeniërs het kranten lezende publiek in Nederland niet ontging. De Duitse en Osmaanse autoriteiten hielden journalisten weg van de binnenlanden waar de strijd werd gestreden en waar de Armeense dodenmarsen plaatsvonden. Maar via vluchtelingen en getuigen die afkomstig waren uit neutrale en bevriende landen, drong er toch voldoende informatie door naar de Europese media.

Duitse diplomaten berichtten uitgebreid over de gewelddadige gebeurtenissen, maar zoals hierboven ook vermeld, was het voor Duitsland niet in zijn belang om er iets mee te doen. Bovendien wilde men het zo veel mogelijk stil houden om de Britten geen stof voor propaganda te geven. Maar met name via christelijke hulporganisaties verschenen er toch ook berichten in de Duitse media.

De Britten hoorden niet alleen van de volkerenmoord via gevluchte Armeniërs, maar ook in Irak krijgsgevangen genomen soldaten waren onderweg door de binnenlanden getuige van de Armeense dodenmarsen. Bovendien wisten met de Britten sympathiserende Arabieren het een en ander te melden. Het is echter moeilijk om vandaag nog vast te stellen wat propaganda was en wat niet. Het is echter wel zo dat de Britse propagandamachine mede daarom zo succesvol was, omdat men optimaal gebruik wist te maken van daadwerkelijke voorvallen, zoals het gedrag van de Duitsers in België en het gedrag van de Turken in Turks Armenië.

Van Nederlandse getuigenissen is niets bekend. Wel verscheen er in 1916 bij uitgeverij de Hofstad in Den Haag een boekje getiteld Gemarteld Armenië, een uit het Arabisch vertaald relaas van ene Faiz el Ghusein, een ‘aanzienlijk bedouin uit Damascus.’ In dit boekje doet deze naar Bombay in Brits-Indië gevluchte Osmaanse functionaris verslag van zijn eigen belevenissen en gesprekken die hij had met daders en getuigen van de moordpartijen. De grote lijn van het verhaal wijkt niet af van wat we nu weten.

Pas nadat de Armeense genocide over zijn hoogtepunt van 1915-1916 heen was, verschenen er ook in de Nederlandse kranten expliciete berichten over de gebeurtenissen. In 1917 werd er in Nederland Het Nederlandsch Comité tot Hulpbetoon aan de Noodlijdende Armeniërs opgericht. Zij gaven in februari 1918 een pamflet uit, getiteld Marteling der Armeniërs in Turkije. Naar Berichten van Ooggetuigen.

Het Comité telde vele prominente leden, waaronder oud-politici en leden van de Eerste en Tweede Kamer, zoals de voorzitter oud-minister van financiën Van Gijn, minister van staat De Savornin Lohman en Eerste Kamerlid P.J.J.S.M. van der Does de Willebois, voormalig burgemeester van ’s Hertogenbosch en neef van de ambassadeur in Istanboel.

Het pamflet beschreef de lotgevallen van de Armeniërs in diverse plaatsen in het Osmaanse Rijk aan de hand van getuigenissen van Duitsers, Turken, Armeniërs en Amerikanen. Het comité had zelf geen connecties met de Armeniërs, maar werkte samen met het Zwitserse Comité. Om hulp te financieren verzocht men om kleine en grote bijdragen voor "het in stand houden van de resten van het zoo ontzettend zwaar getroffen Armenische volk."