20 oktober 2007

Van Het Zuidelijk Front Geen Nieuws


"Wer redet heute noch von die Vernichtung der Armenier?" Deze beruchte retorische vraag zou Adolf Hitler hebben gesteld aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Tegenwoordig is het antwoord op die vraag: steeds meer mensen.

Door Turkije’s autistische manier van omgaan met zijn verleden, blijft dit drama de aandacht trekken. Hoe gevoelig het ook vandaag nog ligt, blijkt wel uit het geval van de Turkse schrijver Orhan Pamuk, die vanwege uitspraken over de Armeense genocide werd aangeklaagd wegens belediging van de Turkse nationale identiteit.

De discussies rond de Armeense genocide zijn veelal polemisch van aard en erg onderhevig aan gevoeligheden van beide betrokken partijen. Eén ding hebben de Turken en de Armeniërs met elkaar gemeen: ze mogen graag wijzen op de betrokkenheid van een ander volk bij deze volkerenmoord: de Duitsers.


Natiestaat
In 1908 kwam er een nieuwe elite aan de macht in het Osmaanse Rijk: de Jong Turken. Zij waren verenigd in het Comité voor Unie en Progressie (CUP). Dit comité bestond uit intellectuelen en militairen die ontevreden waren met de gang van zaken binnen het Osmaanse Rijk en met name de machteloze wijze waarop dit rijk zich gedroeg ten aanzien van de Europese grootmachten. De leiding van het CUP werd gevormd door het zogenaamde triumviraat van de drie pasja’s, Talaat Pasja, Enver Pasja en Djemal Pasja. Hun doel: de meervolkerenstaat die het Osmaanse Rijk was, omsmeden naar een moderne natiestaat.

De natiestaat bestaat bij het idee dat men één volk vormt met één gedeelde identiteit. Het Osmaanse Rijk echter was een ‘multiculturele’ samenleving. Het was daarom noodzakelijk een gemeenschappelijk element te vinden dat het land zou samensmeden tot één homogeen geheel. Alhoewel ze een seculiere organisatie was die wetenschap hoger waardeerde dan religie en bijgeloof, vond het CUP dat element in de islam. Een christelijk volk als de Armeniërs vormde in dat licht een potentieel probleem.

Verre vrienden en slechte buren
De Eerste Wereldoorlog stond voor de deur toen in december 1913 generaal Otto Liman von Sanders in Istanboel arriveerde om daar een militaire missie op te zetten. Zijn taak was het Osmaanse leger te moderniseren en tegelijkertijd invloed op te bouwen. Al sinds 1882 waren de Duitsers betrokken bij de modernisering van het Osmaanse leger. Duitsland zag in het rijk een strategische partner, met wiens hulp zij Rusland in het zuiden kon afleiden, om zo troepen weg te houden van een mogelijk toekomstig oostelijk front.

Tsaristisch Rusland vormde ook de grootste bedreiging voor de Osmanen zelf. Rusland had de Balkanvolken actief gesteund in hun onafhankelijkheidsoorlogen. Daarnaast rukten zij vanuit de Kaukasus op, met als doel de warme wateren van de Middellandse Zee en de Perzische Golf. Verder steunden zij kleine, maar gewelddadige Armeense marxistisch-nationalistische groeperingen, waardoor het CUP het Armeense vraagstuk ging vereenzelvigen met de Russische dreiging.

In juli 1914 nam de Osmaanse minister van oorlog Enver Pasja het initiatief tot een militair verdedigingspact met Duitsland. Op 2 augustus 1914 werd het in het diepste geheim getekend. Er werd afgesproken dat in geval van oorlog de Duitse militaire missie ‘effectieve militaire invloed’ zou krijgen over het Osmaanse leger. Eén dag voor de ondertekening van het verdrag, was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken met Duitsland's oorlogsverklaring aan Rusland.

Eind oktober 1914 viel de Osmaanse marine, met behulp van twee omgedoopte Duitse schepen onder leiding van Flottenkapitän Souchon, Russische marinebases in de Zwarte Zee aan. Dit leidde tot de Russische oorlogsverklaring aan het Osmaanse Rijk op 2 november 1914. Drie dagen later was het ook met Frankrijk en Groot-Brittannië in oorlog.

Het Osmaanse leger kwam gedeeltelijk onder bevel van een aantal Duitse generaals. Circa 800 lagere officieren werden in diverse posities binnen het Osmaanse leger geplaatst. De generaals Liman von Sanders en Bronsart von Schellendorf, veldmaarschalk Colmar von der Goltz en admiraal Souchon waren hiervan de belangrijkste.

Van Deportatie naar Genocide
De Osmaanse gewelddadigheden tegen de Armeniërs waren niet nieuw. Onder het bewind van sultan Abdülhamid II, bijgenaamd de Rode Sultan, waren zij regelmatig het slachtoffer van pogroms en moordpartijen. De Eerste Wereldoorlog verschafte het CUP een goed excuus om zich definitief van de in hun ogen onbetrouwbare Armeniërs te ontdoen.

Onder het mom van militaire noodzakelijkheid werden de Armeniërs in Oost-Anatolië ontwapend door de Turken, om te voorkomen dat ze het 3e Osmaanse Leger, dat tegen de Russen optrok, in de rug zouden aanvallen. Deze ontwapening ging gepaard met zoveel geweld tegen onschuldige Armeense burgers, dat in april 1915 de hoofdzakelijk Armeense stad Van in opstand kwam. Het CUP zag op haar beurt in deze opstand weer een bevestiging van de verradelijke aard van de Armeniërs. Men begon grootscheepse deportaties van Armeense burgers uit Anatolië naar kampen in de zuidelijk gelegen Syrische woestijn.

De angst voor francs-tireurs die het leger in de rug zouden aanvallen, was de Duitsers bepaald niet vreemd. Hun eigen reactie op dergelijke voorvallen bestond uit meedogenloze represailles tegen de burgerbevolking, zoals de Belgen in 1914 hadden ondervonden. Wat dat betreft konden de Duitse generaals zich identificeren met hun Osmaanse collega’s, toen die overgingen tot deportatie van Armeniërs. Vooral generaal Bronsart von Schellendorf, chef-staf van het Osmaanse leger, en kolonel Böttrich, directeur spoorwegen, droegen actieve medeverantwoordelijkheid voor deportaties door ze goed te keuren of er zelfs opdracht toe te geven.

De deportaties werden niet uitgevoerd door de reguliere legereenheden, waarin de Duitse adviseurs waren geplaatst, maar door een combinatie van gendarme, de gewapende vleugel van het CUP (de Secret Organisation), Koerdische bendes en uit de Balkan en Rusland gevluchte moslims.

Officieel hadden de deportaties herhuisvesting in Irak ten doel, maar algauw werd duidelijk dat het dodenmarsen waren, waarbij de Armeniërs onderweg zwaar werden mishandeld. Velen overleefden het niet of stierven alsnog in de kampen in de Syrische woestijn. Alleen mooie, jonge Armeense vrouwen konden overleven door zich te bekeren tot de islam en toe te treden tot de harems van lokale krijgsheren.

Spoorweg
In het begin gold nog het excuus dat de Duitsers door hun afhankelijkheid van Osmaanse informatie niet meteen op de hoogte waren van het echte doel van de deportaties. Maar kolonel Böttrich was dat wel, toen hij in opdracht van zijn Osmaanse superieuren probeerde het Armeense personeel van de Berlijn-Bagdad Spoorwegmaatschappij te deporteren. Dit ondanks zware tegenwerking van de Duitse directie. Böttrich is ook de enige Duitse officier die zijn handtekening onder een deportatiebevel zette, daarmee het enige harde bewijs van Duitse betrokkenheid leverend.

De in opstand gekomen Armeense gemeenschap van de stad Urfa, werd met hulp van onder Duits bevel staande artillerie verslagen, waarna de gendarme en de S.O. alsnog met de deportaties aanvingen. De betrokken officier kapitein Wolfskeel von Reichenberg vond het een interne aangelegenheid van de Osmanen, net als de meeste Duitse officieren die getuige waren van de dodenmarsen.

Een Duits Idee?
Door hun posities binnen het leger van hun bondgenoot raakten de Duitse militairen betrokken bij een van de grootste en bloedigste etnisch-religieuze zuiveringen van de 20e eeuw. Vanuit de Duitse militairen werd er nauwelijks geprotesteerd. Maar afgezien van de hierboven genoemde officieren, zijn er verder geen gevallen bekend van actieve Duitse betrokkenheid bij de genocide.

Ondanks protesten van met name Duitse diplomaten en missionarissen, ondernam de Duitse regering in Berlijn niets. Sterker nog: men probeerde de volkerenmoord zoveel mogelijk te verzwijgen om te voorkomen dat het als munitie in de propaganda-oorlog met de Britten zou worden gebruikt. Tevergeefs overigens. Uiteindelijk gold voor de Duitse regering alleen hun eigen belang: zoveel mogelijk Russische soldaten weghouden van het Oostfront. Of zoals Staatssekretär des Auswärtigen Amts Zimmerman het zei:

"The sons of Germany, whose sacrificial bloody fighting in the west, east and south is considerably eased by the military aid of our Turkish allies, stand closer to the German government than the Armenians."

In bepaalde Turkse en Armeense kringen worden de Duitsers echter ook gezien als het brein achter de genocide. Daarbij valt vooral de naam van de Duitse geopoliticus dr. Paul Rohrbach. Deze opperde in 1913 een plan om van het olierijke Irak een Duitse kolonie te maken en die met de als vlijtig bekend staande Armeniërs te bevolken. Dit academische proefballonnetje was echter allesbehalve genocidaal.

Holocaust
De Duitse schuldkwestie lijkt bij de betrokkenen van de genocide vooral een kwestie te zijn van het in retrospectief terugzien van hun ervaringen door de lens van de Holocaust. Donald E. Miller schrijft in Survivors: an oral history of the Armenian genocide daarover het volgende:

A number of survivors blamed the Germans for the genocide. It was the Germans, they said, who suggested a systematic means of exterminating the Armenians through the pretense of deportation. This thought was repeated in a variety of expressions. In fact, one survivor implied that the Turks were not capable of having conceived of the idea of genocide: "I still say that the Turks are not smart enough (…) to have come up with the idea of the genocide. The idea came from others, from European intellectuals. This is because they wanted to use Turkey for their benefit."

Gezien die Holocaust is het makkelijk om met terugwerkende kracht de Duitse betrokkenheid bij de totstandkoming van de Armeense genocide belangrijker te maken dan die daadwerkelijk was. Zowel Armeniërs als Turken hebben belang bij het aantonen van een zekere continuïteit tussen de Armeense genocide en de Holocaust. De eersten willen zo om juridische redenen een verband leggen tussen hun genocide en die op de Joden, de laatsten willen zo hun handen wassen in onschuld: het was allemaal weer een idee van die vermaledijde Duitsers.

Maar naast de genoemde ‘foute’ Duitsers waren er ook velen die wel opkwamen voor de Armeniërs, met name diplomaten, zendelingen en ontwikkelingswerkers. Onder deze Duitsers bevindt zich ook het meest duidelijke voorbeeld van discontinuïteit tussen de Armeense genocide en de Holocaust, namelijk de vice-consul in Erzurum dr. Max Erwin von Scheubner-Richter. Hij heeft veel moeite gedaan om Armeniërs te redden en hun lot kenbaar te maken aan de Duitse regering en militaire leiding.

En het is nazi van het eerste uur Scheubner-Richter die tijdens de mislukte putsch van 1923 dodelijk wordt getroffen door Beierse politiekogels en letterlijk sterft in de armen van zijn vriend Adolf Hitler. Wellicht zijn het in dat licht niet de Duitsers die de Turken op het idee hebben gebracht van het uitroeien van een onwenselijk volksdeel, maar de Turken die de nazi’s op een idee hebben gebracht. Immers: "Wer redet heute noch von die Vernichtung der Armenier?"